De ontwikkeling van AI-agents draait vaak om meer autonomie. Agents kunnen informatie verzamelen, redeneren, systemen aanroepen en steeds meer stappen in een bedrijfsproces zelfstandig uitvoeren. Maar juist naarmate die mogelijkheden toenemen, ontstaat een nieuwe vraag: wanneer moet een AI-agent besluiten om niet verder te gaan?
Dat lijkt misschien een technische vraag, maar raakt direct aan governance, verantwoordelijkheid en de inrichting van bedrijfsprocessen.
CIO beschrijft een belangrijk verschil tussen vertrouwen en bevoegdheid. Een AI-agent kan met grote zekerheid concluderen dat een klantrecord moet worden aangepast, een refund kan worden goedgekeurd of een systeem niet langer nodig is. Maar een hoge mate van zekerheid betekent niet automatisch dat de organisatie de agent ook bevoegdheid heeft gegeven om die handeling zelfstandig uit te voeren.
Dat onderscheid wordt belangrijker nu AI verschuift van adviseren naar handelen. Een fout antwoord van een chatbot kan door een medewerker worden genegeerd. Een agent die op basis van een foutieve conclusie daadwerkelijk gegevens wijzigt, een transactie uitvoert of een vervolgproces start, kan veel grotere gevolgen hebben.
Organisaties moeten daarom niet alleen testen of een agent de juiste antwoorden geeft, maar ook of deze op het juiste moment stopt. Dat vraagt om vooraf vastgelegde grenzen: welke handelingen mag de agent zelfstandig uitvoeren, wanneer is menselijke goedkeuring nodig en wanneer moet het proces volledig worden gestopt?
Een interessant principe daarbij is ’least agency’: geef een agent niet de maximale autonomie die technisch mogelijk is, maar alleen de autonomie die noodzakelijk is om zijn taak goed uit te voeren. Veel bedrijfsprocessen bestaan immers grotendeels uit voorspelbare stappen. AI kan vooral waarde toevoegen op de momenten waarop interpretatie of beoordeling nodig is, zonder daarmee automatisch eigenaar te worden van het volledige proces.
Ook escalatie moet onderdeel zijn van het ontwerp. ’Ik weet het niet’ zou voor een AI-agent geen vrijblijvende reactie moeten zijn, maar het startpunt van een vooraf ontworpen overdracht naar een medewerker. Daarmee wordt menselijk ingrijpen geen noodoplossing, maar een regulier onderdeel van het proces.
Uiteindelijk blijft ook het eigenaarschap bij de organisatie. De business bepaalt het gewenste resultaat, IT realiseert en configureert de oplossing, Risk en Compliance stellen kaders en Governance bewaakt of de agent binnen die kaders blijft functioneren. Wie een agent mag pauzeren of uitschakelen, moet daarom al duidelijk zijn voordat deze in productie gaat.
Slotboodschap & Call-to-Action:
De volwassenheid van agentic AI zal niet alleen worden bepaald door hoeveel taken organisaties volledig kunnen automatiseren. Minstens zo belangrijk wordt hoe goed organisaties bepalen welke autonomie passend is voor een specifiek proces.
Bij Caronne zien we dit als een belangrijk onderdeel van AI-governance. Technologie maakt steeds meer autonomie mogelijk, maar de organisatie blijft verantwoordelijk voor de grenzen waarbinnen die autonomie wordt ingezet.
De beste AI-agent is daarom misschien niet degene die altijd zelfstandig verdergaat, maar degene die precies weet wanneer een mens het moet overnemen.
(CIO,
artikel, 2026-09-03)